#2 Wat verstaan wetenschappers onder ‘informatievaardigheden’?

Panel discussion LILG 2019
Share on facebook
Facebook
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn

Wat bedoelen we als we het over ‘informatievaardigheden’ hebben? Deze vraag stond centraal in de paneldiscussie tijdens de ‘Conference on Learning Information Literacy across the Globe’. In plaats van een weekendje Netflix bingen, werd het voor mij een weekendje lezingen, discussies en artikelen van deze conferentie bingen. Dit lot blijft jou bespaart, want ik zal hier de belangrijkste inzichten de paneldiscussie over de definitie van informatievaardigheden samenvatten.

De aanwezige 8 wetenschappers van het panel zijn het over één ding eens: het is nodig om met elkaar duidelijk te maken waar we het over hebben als we spreken over ‘informatievaardigheden’. De term wordt op veel plekken gebruikt, maar wat bedoelen we er eigenlijk mee?

Wetenschappers aan het woord

Shirley Chiu-Wing Wong benadrukt dat het bij informatievaardigheden om meer gaat dan alleen tekstuele bronnen: ook video, data, VR en AR doen mee. Informatievaardigheden is meer dan alleen het zoeken en gebruiken van informatie: het is een ervaring in het gebruik van informatie om te leren. Deze ervaring neem je mee naar toekomstige contexten, en zo leert informatievaardigheden je dus hoe je kunt leren (learn to learn). Volgens haar is er dus geen algemene standaard van een ‘informatievaardig persoon’.

Andrew Whitworth omschrijft informatievaardigheden als de capaciteit om effectief ‘informatielandschappen’ te construeren en daarin te navigeren. Net zoals in een echt landschap, willen we niet verdwalen en we willen ook niet dat het landschap vervuild wordt. Informatievaardigheden betreft dan ook de vaardigheid om je eigen informatielandschap te optimaliseren, en de benodigde vaardigheden te bezitten die ons helpen om door andermans landschappen te navigeren. Whitworth stelt dat er van oudsher een technische kijk op informatievaardigheden is, vanuit de Library and Information Science, met een sterke focus op hoger onderwijs en plagiaat. Hij benadrukt dat ook niet-universitair geschoolden moeten leren hoe ze goed met informatie om moeten gaan en hun informatiestromen kunnen managen.

Trudi Jacobson stelt dat we informatievaardigheden beter kunnen plaatsen in de bredere term metaliteracy. Informatievaardigheden benadrukt te veel de vaardigheden, en focust te veel op tekstuele bronnen, met weinig aandacht voor multimediale bronnen. Metaliteracy is ‘een overkoepelend en naar zichzelf verwijzend raamwerk dat opkomende technologieën integreert en meerdere typen geletterdheid verenigt.’ Deze herdefiniëring van informatievaardigheden legt een bijzondere nadruk over het produceren en delen van informatie in participatieve digitale omgevingen.Om dit te onderwijzen zullen we ook buiten de deuren van onderwijsinstituten moeten kijken. Het leren hiervan gebeurt grotendeels buiten.

Ook Stefan Dreisiebner benadrukt dat informatievaardigheden alle aspecten van ons leven raakt, ook ons leven buiten de schoolse context. Het is een basaal mensenrecht. Studenten hebben nog veel te leren op dit vlak, maar ook gevestigde wetenschappers moeten op hun hoede zijn voor de zogenaamde predatory journals. Huidige thema’s zoals fake news helpen om meer aandacht te vestigen op het belang van informatievaardigheden in het onderwijs.

Jannica Heinström stelt dat de term informatievaardigheden problematisch is. Ze deelt de visie van Trudi Jacobson, dat meta-literacy een geschiktere term is, die meerdere aspecten van informatievaardigheden dekt. Heinström heeft het liever over verschillende benodigde informatievaardigheden, afhankelijk van de context waarin je je bevindt. Informatievaardig zijn binnen één context, betekent niet direct dat je dat bent in een andere context. Iemand kan heel handig zijn om academische informatie te vinden, maar in zijn privéleven toch overtuigd worden door complottheorieën.

Als laatste was Jan Schneider aan de beurt. Hij definieert informatievaardigheden als het ‘leren navigeren in deze informatiewereld’. Hij vergelijkt deze wereld met een huis: we moeten daarin weten wat de muren, deuren en trappen zijn om tot de juiste informatie te komen. Schneider poneert ook verschillende maten van waarheid, die waar zijn binnen bepaalde kaders:
Waarheid – wetenschappelijke waarheid – meningen – overdrijvingen – leugens De Waarheid met hoofdletter W, die kunnen we slechts benaderen met wetenschappelijke waarheid, die op zijn slechts waar is binnen het wetenschappelijke paradigma.

Conclusie

Het laatste woord over de definitie van informatievaardigheden is nog niet gesproken. Ik ben het met Trudi Jacobson en Jannica Heinström eens dat een goede definitie van informatievaardigheden ook multimedia en de actieve deelname aan online informatienetwerken moet omvatten. Veel jongeren gebruiken sociale media namelijk als belangrijke (vaak primaire) informatiebron, en delen hier ook actief informatie op in hun netwerken. De vraag is wel als je het zo breed definieert, waar informatievaardigheden ophouden en het leren begint.

Bronnen:

https://informationliteracy.eu/conference/

Leave a Reply

Your email address will not be published.